Vandaag legt de Europese Unie via het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor zeven jaar vast hoeveel geld ze maximaal mag uitgeven en welke beleidsprioriteiten ze daarmee wil financieren. Denk bijvoorbeeld aan landbouw, onderzoek, defensie, infrastructuur en regionale ontwikkeling. Maar waarom werkt Europa eigenlijk met zo’n meerjarenbegroting?
Tot 1988 werd de Europese begroting jaarlijks vastgesteld. Dat leidde steeds vaker tot financiële en politieke spanningen.
De toetreding van Griekenland, Spanje en Portugal bracht nieuwe financiële uitdagingen met zich mee: de economische verschillen tussen lidstaten werden groter wat de behoefte in regionale ontwikkeling deed toenemen. Daarnaast was er ook afgesproken om meer geld te investeren in wetenschappelijk onderzoek. Tegelijkertijd ging al een groot deel van de beschikbare middelen – ruim 60% – naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Daarbovenop groeide politiek de onenigheid tussen de lidstaten over hun financiële bijdragen. Vooral het Verenigd Koninkrijk vond dat het te veel betaalde. De Britse premier Margaret Thatcher maakte die onvrede beroemd met haar uitspraak: “I want my money back.”
Bijna een halve eeuw na Thatchers uitspraak duikt dezelfde discussie opnieuw op bij de onderhandelingen over het MFK voor 2028–2034. Europa wil zijn begroting moderniseren en meer investeren in concurrentievermogen, veiligheid, voedselzekerheid en innovatie. Tegelijk pleiten verschillende lidstaten voor een kleinere begroting. Uiteindelijk is het aan de Raad en het Europees parlement om tot een interinstitutioneel akkoord te komen over het volgende MFK.
“You can’t talk politics without talking finance”
Politieke ambities kunnen pas worden gerealiseerd als er voldoende financiële middelen zijn om ze uit te voeren. Het Europees Meerjarig Financieel Kader (MFK) biedt daarom de middelen om gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken die de lidstaten moeilijk afzonderlijk kunnen oplossen.
Toch komt tijdens elke onderhandeling over het MFK de fundamentele vraag op tafel: laten we de Europese begrotingsonderhandelingen vooral leiden door hoeveel geld een lidstaat terugkrijgt, of prioriteren we de gezamenlijke meerwaarde die Europese investeringen kunnen bereiken?
Waarom we landbouwers blijven steunen met Europees geld?
Het belang daarvan gaat terug tot de eerste jaren van de Europese samenwerking. De voedseltekorten tijdens en na de Tweede Wereldoorlog hadden duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar de Europese voedselvoorziening was. Daarom werd in 1962 het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerd, met als doel de voedselproductie te verhogen, landbouwers een leefbaar inkomen te bieden en de voedselvoorziening veilig te stellen.
Ook vandaag blijft voedselveiligheid een strategische prioriteit voor Europa. Onze landbouwers spelen dan ook een belangrijke rol in het versterken van de Europese concurrentiekracht en strategische autonomie.
De modernisering van het MFK in de politieke discussies draait voor een belangrijk deel om het versterken van de Europese concurrentiekracht, zodat Europa op economisch vlak mondiaal sterker staat tegenover Trump, Poetin en Xi. Daarbij denken we vaak aan investeringen in digitalisering, industrie en defensie. Maar het is dus even belangrijk dat onze landbouwers deel uitmaken van dit strategisch verhaal en ondersteund worden door het MFK, in het bijzonder zodat een aantal structurele economische kwetsbaarheden kunnen worden opgevangen.
Eén daarvan is dat de vraag naar voedsel minder snel groeit dan de koopkracht van gezinnen. Wanneer mensen meer verdienen, kopen ze bijvoorbeeld gemakkelijker een nieuwe auto of besteden ze meer aan diensten, maar ze gaan niet in dezelfde mate meer eten. Economen noemen dit de lage inkomenselasticiteit van de vraag naar voedsel. Hierdoor kunnen landbouwers minder rekenen op een groeiende afzetmarkt om hun inkomsten te verhogen. Dit verklaart de inkomenskloof: volgens de Europese Commissie lag het gemiddelde inkomen van een landbouwer in 2023 ongeveer 40% lager dan het gemiddelde loon in de Europese economie (European Commission, 2025, A Vision for Agriculture and Food). Daarom is de Europese inkomenssteun zo belangrijk.
Waarin investeert Europa nog?
Landbouw is niet de enige Europese ambitie die financiële middelen vereist. Een andere vaste pijler is het cohesiebeleid. Als we van Europa een sterke eengemaakte markt willen maken, moeten we de economische verschillen tussen de Europese lidstaten en regio’s verkleinen. Gericht investeren in de infrastructuur, innovatie en werkgelegenheid van minder welvarende regio’s is daarom ook een strategische ambitie. Zo is Limburg erkend als Europese transitieregio. Daardoor krijgt de provincie extra Europese middelen om haar economie te versterken en de sociaaleconomische achterstand weg te werken, na de sluiting van de mijnen en grote werkgevers zoals Ford Genk
Daarnaast is interne marktintegratie ook een Europese uitgavenpost op zichzelf om grenzen voor bedrijven en consumenten weg te nemen. Maar ook buiten de EU zijn investeringen nodig. Internationale partnerschappen helpen onze exportgerichte industrie en landbouw om nieuwe markten te bereiken. Tegelijk zorgen de toenemende geopolitieke spanningen ervoor dat Europa meer verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn eigen veiligheid. Daarom gaan er de laatste jaren ook meer Europese middelen naar migratie en defensie.
De vraag is telkens opnieuw of de lidstaten bereid zijn voldoende gezamenlijke middelen vrij te maken om de uitgesproken en veranderende Europese ambities ook in daden om te zetten. Want politieke ambities blijven slechts woorden als er geen middelen zijn om ze uit te voeren. Politieke ambities en financiële middelen gaan dus hand in hand.
In perspectief: Hoeveel betaalt België aan de EU?
In 2024 investeerde België €6,87 miljard in de EU-begroting en ontving in hetzelfde jaar €11, 45 miljard uit die begroting. Het merendeel van die ontvangsten, spenderen we aan het openbaar bestuur van de Europese Unie in Brussel.
De jaarlijkse EU uitgaven omvatten ongeveer 1% van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU terwijl lidstaten gemiddeld 50% van hun bni uitgeven.
Toch biedt het MFK een enorme opportuniteit om investeringen efficiënter te organiseren op Europees niveau. In plaats van 27 lidstaten elk afzonderlijk te laten investeren in grensoverschrijdende uitdagingen, kan Europa die middelen samenbrengen om meer te bereiken met hetzelfde geld. Bovendien draagt deze efficiëntie bij aan de verdere eenmaking van onze nog steeds versnipperde interne markt.
Een beter geïntegreerde interne markt stimuleert op haar beurt de economische groei in heel Europa.
MFK 2028-2034
De onderhandelingen over de volgende Europese meerjarenbegroting tonen hoe moeilijk het is om al de ambities met beperkte middelen te verzoenen.
In juli 2025 stelde de Europese Commissie een begroting van bijna €2 000 miljard voor, gespreid over zeven jaar. Dit voorstel wordt volmondig gesteund door het Europees Parlement, maar een belangrijk deel van de lidstaten staan op de rem. Het Raadsvoorstel bevat een vermindering van €141 miljard of 8% van het oorspronkelijke Commissievoorstel. De besparingen treffen verschillende beleidsdomeinen, waaronder concurrentiekracht, onderzoek en extern beleid. Het is vervolgens aan de Europese leiders om een politiek akkoord uit de brand te slepen tegen eind 2026.
Het Commissievoorstel voor 2028–2034 laat alvast zien hoe de Europese prioriteiten verschuiven.
- De grootste uitgavenpost is een fonds voor nationale en regionale partnerschappen. Met ongeveer €865 miljard, of 44% van de voorgestelde begroting, brengt het onder meer landbouw, cohesiebeleid en regionale ontwikkeling samen. Dat moet de besteding van Europese middelen eenvoudiger en flexibeler maken. Om de onzekerheid die hiermee gepaard gaan te kenteren, is €300 miljard geoormerkt voor inkomens – en crisissteun aan landbouwers.
- Ongeveer €409 miljard, of 21%, gaat naar concurrentievermogen. Daaronder vallen het nieuw voorgestelde Europees Competitiviteitsfonds (ECF) en het onderzoek- en innovatiefonds Horizon Europe. Het doel is om Europese innovatie gemakkelijker toe te passen in succesvolle ondernemingen en industriële groei te creëren. In lijn met de aanbevelingen van Mario Draghi over de Europese concurrentiekracht. Een concrete investering is de aankomende Einsteintelescoop die mogelijks in Limburg terechtkomt.
- Ongeveer €200 miljard, of 10%, is bestemd voor Global Europe. Daarmee wil de EU internationale partnerschappen versterken en bijdragen aan stabiliteit buiten haar grenzen. Die relaties zijn ook belangrijk voor onze exportgerichte economieën.
- Daarnaast voorziet het voorstel ongeveer €168 miljard voor de terugbetaling van NextGenerationEU, de gezamenlijke Europese schulden uit de coronacrisis.
- Voor Erasmus+ en AgoraEU is samen ongeveer €49 miljard voorzien, onder meer voor studentenmobiliteit, cultuur en democratische waarden.
Deze verdeling is voorlopig: de uiteindelijke bedragen worden meebepaald door de onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad van Ministers van de EU.
Wie betaalt de Europese begroting?
De EU haalt haar inkomsten momenteel vooral uit bijdragen van de lidstaten op basis van hun bni. Daarnaast ontvangt ze douanerechten op ingevoerde goederen, bijdragen op basis van btw en bijdragen voor niet-gerecycleerd plastic verpakkingsafval. Samen worden die laatste inkomsten de eigen middelen van de EU genoemd.
Om nieuwe ambities te financieren en de coronaschulden terug te betalen, stelt de Commissie vijf nieuwe eigen inkomstenbronnen voor:
- een deel van de opbrengsten uit de Europees emissiehandelssysteem (ETS);
- inkomsten uit koolstofgrensheffingen (CBAM);
- bijdragen op basis van niet-ingezameld elektronisch afval;
- een bijdrage gekoppeld aan tabaksaccijnzen;
- en een vaste bijdrage van grote ondernemingen (CORE).
Samen met aanpassingen aan de bestaande inkomsten zouden deze voorstellen naar schatting €58 miljard per jaar extra opleveren.
Het Europees Parlement voegde nog suggestie voor eigen middelen toe: heffingen op digitale diensten, online gokken en winsten op cryptoactiva. Met een digitaks vragen we aan de niet Europese digitale platformen om een faire bijdragen te leveren van de woekerwinsten die ze op de Europese markt maken, dankzij Europese consumenten, data en infrastructuur.